Onderduikers in Onnen

Inleiding
In 2015 is de bevrijding van Haren uitgebreid gevierd met het houden van een oorlogstentoonstelling in Haren, toen 70 jaar geleden. Diverse personen en instanties werden gevraagd om een bijdrage te leveren. Bij die gelegenheid heb ik Aad Steenhuisen en zijn vrouw uit Almere ontmoet.

Hij vertelde mij, dat hij in 1945 als oorlogsevacué, bij de familie, Grietje & Jan Berends heeft gewoond. Ook vertelde hij, dat hij zijn verhaal uit die tijd heeft opgeschreven en ingestuurd als bijdrage. Ik heb dat verhaal toen van Aad ontvangen, waarin hij zeer gedetailleerd, en prachtig heeft beschreven, zijn verhaal van zijn verblijf in Onnen.
Kort geleden zag ik de collectie foto’s die ik gemaakt heb op die tentoonstelling en het verhaal van Aad weer terug.
Ik ben van mening dat dit verhaal van de oorlogsevacué in Onnen niet mag ontbreken in de geschiedenis van Haren. Ik heb dat ook al eens in het verleden aangekaart bij mensen die aan geschiedschrijving van Haren hebben gedaan. Maar zonder resultaat.

Er is veel over de bevrijding van Haren geschreven, maar het onderwerp over de oorlogsevacué is nooit aan bod gekomen. Er waren ongeveer 4 oorlogsevacués in Onnen, dat ik mij kan herinneren.
Dit verhaal beschrijft, wie waren de mensen, waar Aad aan het einde van de oorlog verbleef.


Groningen, 15 april 2020
Jan K Berends

Het Verhaal van Aad Steenhuisen, Oorlogsevacuee in Onnen 1945
Het is maart 1945, Den Haag is nog steeds bezet door Nazi-Duitsland. Treinen, trams en bussen rijden niet meer. De weinige auto’s die er nog zijn, rijden op gas. Er is geen elektriciteit meer. De verlichting in huis komt van kaarsjes, carbidlantaarns en fietslampjes. Maar er mag niets naar buiten
schijnen, want de stad is verduisterd. Het is ‘s avonds aardedonker. De stilte wordt af en toe verbroken door het geraas van een Duitse raket (V2) op weg naar Londen, de start verlicht dan kortstondig de hele stad. Soms gaat het verkeerd, dan stort de V2 neer in een Haagse straat. Een Engels
bombardement op 3 maart heeft ten doel de V2-installaties te vernietigen. Maar men vergist zich, de bommen vallen op de verkeerde wijk. Voedsel en brandstof kunnen niet worden aangevoerd, de inwoners hebben honger en hebben het koud.
Wij (vader, moeder en vier kinderen) hebben net de honger winter achter de rug. Alles is “op de bon” en slechts in zeer kleine hoeveelheden verkrijgbaar. Uiteindelijk is het niet meer mogelijk zelf een maaltijd klaar te maken en schakelen wij over op de gaarkeuken. Daar wordt, tegen inlevering van distributiebonnen, warm eten verstrekt. Elke dag halen we vijf porties bij het uitdeelpunt, mijn broer Dolf (18) is ondergedoken dus die heeft geen bonnen. Het eten is half vloeibaar, je moet het met een lepel eten en je kan maar beter niet kijken wat er in zit.
Als de gelegenheid zich voordoet besluiten mijn ouders twee van hun kinderen – mijn broer Jan (15) en ik (12) – met een kindertransport naar Groningen mee te geven. Op 26 maart lopen wij aan het begin van de avond naar het kantoor van de “Provinciale Voedselcommissaris”, een organisatie die – zo goed en zo kwaad als dat kan – de voedselvoorziening op gang probeert te houden. Uit de verte zien we al een verhuisauto staan, een trekker-oplegger combinatie. Daar moet het zijn want auto’s zijn al lang uit het straatbeeld verdwenen. Er zijn meer kinderen met hun ouders in het kantoor. We nemen afscheid, onze ouders moeten vóór acht uur weer thuis zijn. Dan begint de ‘avondklok’ en is het tot ’s morgens zes uur verboden buitenshuis te zijn.
Wij kruipen in de oplegger bovenop een lading in jute zakken die al op de vloer staan. De deuren gaan dicht en om zeven uur vertrekken we. Er wordt ’s nachts gereden om geen doelwit te vormen voor gevechtsvliegtuigen. We zijn allemaal stil, de ruimte waarin we zitten wordt verlicht door een klein
lampje. We kunnen niet naar buiten kijken, als de auto een bocht om gaat dan voel je dat. Na korte tijd staan we plotseling stil, de deuren gaan open. Bij Nootdorp zijn we in een bomkrater gereden. Het is moeilijk rijden in de nacht, de chauffeur moet zich behelpen met twee koplampen die zijn afgeplakt tot er alleen twee blauwe streepjes over zijn. Iedereen moet helpen de zakken uit te laden en het lukt de auto weer op de weg te krijgen. Zakken er weer in, kinderen er in, deuren dicht en verder richting
Utrecht. Bij Nijkerk gaat het weer mis, de houtgasgenerator lekt. Het is vier uur in de ochtend. Een lokale smid is zo vriendelijk het lek provisorisch te dichten zodat we aan het eind van de nacht Zwolle kunnen halen. We brengen de dag door in een school, waarin nog veel meer kinderen verblijven.
’s Avonds gaan we weer verder en komen aan het eind van de nacht bij het kantoor van de Groningse Voedselcommissaris aan. We worden met een auto naar Onnen gebracht, waar we worden afgezet bij het dorpscafé. Interessant was dat de dame van achter de bar tevens dienst deed als
telefoniste op een handbediende centrale.

Aan de overkant, waar de weg zich splitst, is de hoefsmid bezig een paard te beslaan. Onze begeleider nam steeds één kind mee om te worden ondergebracht bij een pleeggezin. Ook mijn broer Jan, – inmiddels 2 jaar geleden overleden – heeft een plekje gevonden bij Hendrik Koops & Jantje
Abbring aan het Zuidveld (Onnen). Uiteindelijk werd ook ik meegenomen, we stopten voor een houten brug over een kanaaltje. Dat was nog niet zolang geleden gegraven en bleek bedoeld als tankval. De begeleider ging het erf op van de boerderij ernaast, ik wachtte met mijn rieten koffertje op
de brug. Na bemonstering van achter de ramen mocht ik binnenkomen. Ik was aangeland bij Jan en Grietje Berends , broer en zus, die de boerderij runden. Ze waren natuurlijk niet voorbereid om mijn komst, dus een slaapplaats was er niet. Ik moest voorlopig genoegen nemen met een plek naast de boer in de bedstee. De andere bedstee was van Grietje. Later kreeg ik een eigen matras op de vloer.
We sliepen dus met z’n drieën in de mooie kamer. Ik had van mijn ouders een briefkaart meegekregen om op de post te doen als ik op de plaats van bestemming (Onnen 30, gemeente Haren) was aangekomen. Die kaart is wel bij mijn ouders aangekomen, de postdienst werkte dus nog wel ondanks de chaotische situatie. De brief die mijn ouders terugzonden aan mij kwam echter bij hen terug met het stempel “verbinding verbroken”.
Het was een klein bedrijf, 13 koeien, een kudde schapen, een paar geiten, kippen en een varken. De koeien stonden op stal, maar de schapen waren overdag buiten in de polder. ’s-Avonds werden ze weer naar binnen gehaald om diefstal te voorkomen. Ik hielp daar bij. Al gauw vonden ze dat ik dat wel alleen kon doen. De weide lag aan een onverharde weg in de polder. Ik zette het hek open en joeg de schapen op. Ik dacht dat ze vanzelf wel linksaf zouden gaan, maar de kudde splitste zich:
een deel ging rechtsaf. Het terugbrengen naar de schuur is uiteindelijk wel gelukt maar ik was door alle inspanning volkomen uitgeput.
De ramen aan de voorkant van de boerderij keken uit op weilanden met daarachter het rangeerterrein van de spoorwegen. Dat betekende dat we geregeld dekking zochten in de kelder als er weer een geallieerde luchtaanval was. De jagers begonnen boven ons hoofd met schieten en lieten daarbij de koperen hulzen en ijzeren schakels vallen. Na afloop verzamelde ik ze om er een lange patroonband van te maken. Op een dag stopte er een stoomtrein op het rangeerterrein. De deuren gingen open en
er stroomde allemaal mannen met petjes de weilanden in. Ze kwamen ook bij ons op het erf. Het bleken arbeiders uit het Ruhrgebied te zijn, op de vlucht voor de geallieerde troepen. Ze hadden honger en verzamelde alles wat maar eetbaar was. Jan en Grietje weigerden elke hulp, gelukkig
kwam het niet tot gewelddadigheden. Na enige tijd ging iedereen weer aan boord en vertrok de trein richting Duitsland.
Het terugtrekken van het Duitse leger was begonnen. Twee officieren op de fiets kwamen het erf op en verlangden dat er een maaltijd voor hen werd gemaakt. Het was kennelijk niet raadzaam om dat te weigeren. Na het eten vervolgden ze hun weg. In de dagen daarop waren er geregeld ontploffingen te horen, het geluid kwam van vliegveld Eelde. De bezetters lieten niets bruikbaars achter.
Vrijdag 13april werd een beklemmende dag. Het hek van het erf, dat altijd open stond, was nu gesloten.
Niemand ging van huis. In de loop van de dag passeerden er Duitse soldaten, lopend, op de fiets of met paard en wagen. Het gaf niet de indruk van een ordelijke terugtrekking. Tezelfdertijd was er geratel in de verte, kennelijk van rupsvoertuigen over de rijksweg door Haren.
Het was duidelijk dat er van geallieerde zijde nog geen aandacht was voor dorpen zoals Onnen, de stad Groningen was belangrijker. We hadden de hele dag gewacht op iets waarvan we niet wisten hoe het er uit zou zien.
Tegen de avond hoorden we een ronkend geluid uit de richting Noord Laren. Een verkenningseenheid van een stuk of acht pantserwagens met een witte ster hield halt voor de brug. Twee militairen sprongen er uit en keken onder de brug, maar die was niet ondermijnd. Het bleken Canadezen te zijn.
De buurtbewoners dromden nieuwsgierig om de wagens. Er stond ineens iemand met een Nederlandse vlag langs de weg.
Ik was verbaasd mensen te zien met een Mongools uiterlijk, dat waren kennelijk Russen die bij het spoor te werk waren gesteld en in de buurt een onderduikadres hadden gevonden. Ik stond bij de eerste wagen en keek door het luik. Daar zat de bestuurder, maar hij had geen aandacht voor mij.
Hij tuurde geconcentreerd de omgeving af. Wat mij opviel was dat hij een dameshoed op had in plaats van een helm. Misschien een soort talisman? De stoet ging snel verder richting Haren. Later kwamen de wagens één voor één met grote vaart in tegengestelde richting langs met bovenop de Duitse
soldaten die gedurende de dag zo moeizaam oostwaarts waren getrokken. En toen was Onnen niemandsland, Duitsers en Canadezen waren verdwenen. Het was een opwindende avond.
Gewapende mannen haalden NSB’ers uit hun huizen en voerden ze in optocht af. De reparatiewerkplaats van de spoorwegen werd door de Canadezen in gebruik genomen, ik ging er vaak kijken.
We gingen ook kijken in Haren, rijen tanks ordelijk naast elkaar op de stoep. Opmerkelijk was dat de rupsbanden van de tanks de stoep op hetzelfde niveau als de weg hadden gewalst.
Het bevrijdingsfeest in Onnen werd op de boerderij van Ebels – schuin aan de overkant gevierd. Ook ik deed mee met wedstrijden in zaklopen, hardlopen met een ongekookt ei op een lepel, etc. Daarna nam het gewone leven weer een aanvang. Ik was veel op de boerderij van Evert Berends, onze buren op Onnen 31.
Zij hadden vier kinderen, Anton, Jan, Hillie en Heiltje. De jongens werkten mee op het bedrijf. Daar heb ik in latere jaren nog een vakantie doorgebracht.
Tot juli zijn we in Onnen gebleven. We werden bij de boerderij opgehaald met een kleine vrachtauto (nu zouden we dat een ‘pick up’ noemen), mijn broer Jan zat er al in. We reden naar Groningen. Daar lag – tegenover het station – een rivierboot die gecharterd was om evacués terug te brengen. De reis ging via Lemmer, Amsterdam en Rotterdam naar Den Haag. Op de derde dag – laat in de avond – kwamen we in de Laakhaven aan. Aan boord zongen we als afscheid – en als signaal naar de wachtenden op de kade – gezamenlijk het Groninger volkslied. Mijn vader en mijn broer Dolf haalden ons af. Door donker Den Haag zijn we naar huis gelopen. Er was nog steeds geen straatverlichting en geen openbaar vervoer, maar wel te eten!
Het verblijf in Onnen heeft een onuitwisbare plaats in mijn geheugen ingenomen, ik denk er met respect en dankbaarheid aan terug.

Aad Steenhuisen, Almere ,30 maart 2015

Latere loopbaan
Aad heeft een nijverheidsakte (technisch tekenen en elektrotechniek) maar is nooit leraar geworden. Hij heeft 10 jaar op diverse tekenkamers doorgebracht en heeft een aantal jaren technische documentatie
geschreven bij Philips. Daarna heeft hij aan de ontwikkeling van nieuwe telefooncentrales gewerkt (computergestuurd en digitaal). Om daarin goed te kunnen presteren moest er nog wel wat worden bijgeleerd. In die functie was hij ook bij de standaardisatie (International Telecommunication Union in Genève) betrokken. Na de joint venture van Philips met AT&T is hij tot zijn pensionering market manager voor Nederland geweest.
Na zijn pensionering heeft hij nog een paar jaar consultancywerk in Tsjechië en bij AT&T gedaan. Hij vond de pensionering maar niks, maar ja je krijgt toch een leeftijd waarop je door jongeren voorbij wordt gelopen. Hij heeft veel gereisd, zowel voor werk als voor vakantie, en hij kijkt met plezier en voldoening terug op die tijd.

..\..\Onnen.nu\Het Oorlogsverhaal Aad Steenhuisen beschreven door Jan K Berends.pdf
Het complete verhaal van Aad Steenbergen, geschreven door Jan. K. Berends vindt u, incl. foto’s, via onderstaande link.

Een gedachte over “Onderduikers in Onnen

Reacties zijn gesloten.